De trawler Neptune SO- 1 75 is op 12 september overgedragen
aan de Ierse reder Oglesby te Kincasslagh. Het schip is onder
houwnummer 110 gebouwd door Scheepswerf Metz en Machinefabriek
Hoekman op Urk.
De trawler Neptune SO- 1 75 is op 12 september
overgedragen aan de Ierse reder Oglesby te Kincasslagh. Het
schip is onder houwnummer 110 gebouwd door Scheepswerf
Metz en Machinefabriek Hoekman op Urk.
De Neptune is
speciaal ontworpen en uitgerust voor de spanvisserij op de
noordelijke Atlantische Oceaan.
Het ontwerp Is gemaakt door Conoship
International In samenwerking met Steelboat Ireland te lnnishannon
bij Cork. Het schip zal vooral op makreel en haring vissen. De vangst
wordt niet aan boord verwerkt, maar wordt In tanks met gekoeld zeewater
(RSW = refrigerated sea water) bewaard en naar de loshaven vervoerd.
De afmetingen van het schip zijn:
| Lengte .o.a. |
47,45 |
m |
| Lengte l.l. |
41,75 |
m |
| Breedte mal |
10,00 |
m |
| Holte hoofddek |
7,05 |
m |
| Holte |
4,60 / 5,85 |
m |
| Diepgang |
5,65 |
m |
|
De Neptune is door Bureau Veritas geklasseerd met de notatie: 1 3/3 E
P Fishing Vessel, Deep Sea, MACH, AUTMS.
INDELING
Het schip heeft twee doorlopende dekken. Beide dekken zijn ter
plaatse van de accommodatie plaatselijk verhoogd, omdat de verblijven in
verband met de veiligheid beter boven de waterlijn kunnen liggen.

Onder het tussendek is de indeling
- Voorpiek voor waterballast.
- Koelmachinekamer, met eronder twee brandstoftanks (SB en BB).
- RSW-tanks, met in de dubbele bodem voorin twee tanks (SB en BB)
voor brandstof en achterin twee (SB en BB) voor waterballast.
- Machinekamer, met in de zijden halfhoge brandstofbunkers, en
verder aan de achterzijde aan SB drie smeerolietanks, een tank voor
hydraulische olie en de brandstofdagtank, aan BB de drinkwatertank.
De dubbele bodem tussen de bunkers bevat een sumptank, een
aflooptank voor hydraulische olie en de sludgetank aan SB daarvan en
een vuilolietank aan BB, alsmede een vuilwatertank achterin.
- Achterpiek, droog.

De tankinhouden (100%) zijn:
| Gasolie |
100 |
m³ |
| Smeerolie |
4 |
m³ |
| Hydrolische olie |
4 |
m³ |
| Vuile olie |
4 |
m³ |
| Sludge |
4 |
m³ |
| Drinkwater |
20 |
m³ |
| Vuil water |
3 |
m³ |
| Waterballast |
42 |
m³ |
|
De inducing op het tussendek is:
- Achter het voorpiekschot de vacuümapparatuur voor het lossen van
de vangst en de trunks van de RSW-tanks.
- Accommodatie en achterin een stuk tussendek met
machinekamerapparatuur en aan BB, direct achter de accommodatie, de
CO 2-kamer.
- Hekcompartiment met machinekamerwerkplaats en -bergplaats, tevens
stuurmachinekamer, en aan BB een bergplaats voor visgerei.
Op het hoofddek is in de bak de noodgeneratorkamer ondergebracht en
midscheeps een deel van de accommodatie.
Boven het hoofddek bevindt zich het brugdek, met daarop het
stuurhuis. Achter het stuurhuis is het brugdek grotendeels open, met
catwalks in de zijden en boven het hek. Onder de catwalks in de zijden
is de huid tot bijna aan het hek doorgetrokken, zodat het werkdek tegen
overkomend water is beschermd.
Het stuurhuis heeft aan de voorzijde een U-vormige navigatielessenaar
en aan de achterzijde een lessenaar voor bediening van de lieren.
Accommodatie

De
accommodatie op het (plaatselijk verhoogde) bovendek omvat van SB naar
BB de hutten voor de schipper en de HWTK (beide met eigen toileteenheid)
en een was- en kleedruimte, tevens passage tussen voor- en achterschip
en wasserij.

Op
het tussendek omvat de accommodatie op het verhoogde deel voorin aan SB
een eenpersoonshut met toilet unit en daarnaast drie tweepersoons hutten
met wastafel. Daarachter liggen aan BB nog twee tweepersoons hutten en
(op het niet verhoogde deel) een toiletruimte voor algemeen gebruik. Aan
SB liggen op het niet verhoogde deel dagverblijf en messroom, kombuis en
proviandbergplaats.

VISSERIJ-INSTALLATIES
Vangstinstallaties
Het net wordt aan vier vislijnen voortgesleept, twee op eik van de in
span vissende schepen. Op de Neptune zijn hiervoor twee 39 t trawllieren
geplaatst (dit zijn de grote lieren op het hoofddek in de zijden). De
vislijnen lopen via blokken die onder de dwarsbalk van het hekportaal
zijn opgehangen.
Het net is van diverse sensoren voorzien, die o.a. de vullingsgraad
van het net meten. Zij zijn met het schip verbonden door een speciale
signaalkabel, die wordt behandeld door een 5,6 t 'cable winch' (deze
staat aan BB, op het verhoogde deel van het hoofddek, direct vóór de
BB trawllier).
Voor de berging van het net zijn op het hoofddek achter twee
nettenrollen met gedeelde trommels beschikbaar, waarvan een als reserve.
De trekkracht van de nettenrollen is in totaal 4 x 1 7 t.
Verder zijn nog de volgende lieren geïnstalleerd:
- een 39 t top line lier, opgesteld tussen de beide trawllieren;
- een 25 t midline lier op het brugdek aan SB;
- een 25 t cod end lier op het hoofddek vóór.
De functies van deze lieren worden in de volgende paragraaf
besproken.
Alle lieren, inclusief de nettenrollen, zijn geleverd door Ulstein
Bratvaag en hebben hydraulische aandrijving. De trawllieren zijn
voorzien van een automatisch besturingssysteem type 'Sinchro 2020'.
Aan boord brengen van de vangst
Wanneer de vislijnen zijn ingehaald en het net zich bij het schip
bevindt, wordt op het midden van het net de draad van de top line lier
vastgemaakt.
Deze draad loopt via een blok dat aan SB onder het uitstekende deel
van de dwarsbalk van het hekportaal is opgehangen (te zien in fig. 2).
Vervolgens wordt de zak van het net met de midline lier naar voren
gehaald, waarna de draad van de cod end lier op het einde van de zak
wordt bevestigd. De draad loopt over een blok dat aan een speciale davit
aan SB is opgehangen. Het einde van de zak wordt door de cod end lier
boven water gehaald, zodat met behulp van de dekkraan de 16" Karmoy
vispomp aan het net kan worden gekoppeld (de pomp, die hydraulisch wordt
aangedreven, staat op het algemeen plan op het hoofddek getekend, aan
SB, ongeveer spant 49, maar is daar dus niet vast opgesteld). Vervolgens
wordt het geheel weer afgevierd: de pomp komt dan onder de zak te hangen
(op een diepte van circa 80 m), de vis zakt in de pomp (eventueel
geholpen door met de mid line lier wat te 'schudden') en wordt aan boord
gepompt via rubber slangen. Op het hoofddek staan twee hydraulisch
aangedreven haspels: een voor de rubber slangen en een voor de
hydrauliek leidingen naar de pomp.
Indien niet op makreel, maar op haring wordt gevist wordt het net via
een hydraulisch aangedreven diabolorol en een zogenaamde 'triplex net
hauler' geleid. De diabolorol is opgehangen in een dekkraan die op het
hekportaal is opgesteld, en wordt door de kraan buitenboord wordt
gebracht. De net hauIer staat op de SB catwalk van het brugdek en wordt
buitenboord neergeklapt. Deze extra stap is nodig omdat haring zich,
anders dan makreel, niet in de zak van het net verzamelt, maar in het
hele net verspreid blijft. Door het net tussen de drie rollen van de net
hauler door te halen wordt de vis naar de zak geleid. Daarna gebeurt het
aan boord brengen van de vis als besproken.
De aan boord gepompte vis wordt in een boven de RSW-tanks opgestelde
aluminium vangbak gestort. Daar wordt het zeewater, dat mee omhoog is
gepompt, gesepareerd en via een pijp buiten boord gevoerd (vangbak en
pijp zijn te zien op fig. 2, net voor de brug). De vis wordt via
roestvrij stalen goten naar de RSW-tanks gevoerd.
Opslag van de vangst
Als vermeld wordt de vangst bewaard en vervoerd in RSW-tanks. Er zijn
zes van deze tanks. Zij zijn dubbelwandig geconstrueerd, waarbij de
ruimte tussen de beide wanden is volgeschuimd met polyurethaan. Onder
het tussendek zijn bovendien de eindschotten tussen de tanks en de
machinekamer resp. de koelmachinekamer van extra isolatie voorzien.
Iedere tank is op het bovendek voorzien van een tankhoofd van 1,40 x
1,40 m. De tankhoofden en tankdeksels zijn eveneens dubbelwandig
uitgevoerd en volgeschuimd. In elk tankdeksel zijn twee kleinere luiken
aangebracht: een visstortluik en een normaal toegangsluik. Wanneer het
grote tankdeksel moet worden geopend, wordt het met behulp van de
dekkraan opengeklapt.
Voor het koelen van het zeewater is door Promac een RSW-installatie
met een totaal koelvermogen van 700 kW geïnstalleerd. Hiervoor zijn
twee Grasso schroefcompressoren aan boord geplaatst van 350 kW elk,
voldoende om 160 M3 zeewater binnen 4 uur af te koelen van 15°C tot
O°C. De compressoren zijn microprocessor bestuurd. Het opstarten,
stoppen en regelen van de compressorcapaciteit geschiedt volautomatisch.
Gegevens over de werking van de compressoren worden in het geheugen
opgeslagen en zijn bij eventuele servicewerkzaamheden op te vragen. Voor
registratie van de temperaturen, voor en na de koelers en in de
RSW-tanks, is een temperatuur'logger' aan boord geplaatst. Indien nodig
kan een overzicht worden afgedrukt van het temperatuurverloop in de
RSW-tanks.
Behalve de beide compressoren omvat de installatie twee condensors,
twee koelers en twee RSW-circulatiepompen. Gekoeld zeewater wordt in de
tanks toegevoerd via pijpen die in goten onderin de tanks liggen (zie
algemeen plan, aanzicht op tanktop, en fig. 3, dwarsdoorsnede).
Oplettende lezers zullen opmerken dat de plaats van de goten in de
middentanks op de twee tekeningen niet overeenkomt, de plaats in de
dwarsdoorsnede is de juiste).
Iets minder koud water wordt aan de bovenzijde van de tanks afgevoerd
naar de koelers.
Voor distributie van het gekoelde zeewater is er een dwarsscheeps
opgesteld manifold op het tussendek, spant 53.
Lossen van de vangst
De vangst wordt gelost met een roestvrijstalen vacuümsysteem.
Hiervoor zijn op het tussendek twee vacuümketels en twee
vacuümcompressoren opgesteld. In elke RSW-tank is een roestvrij stalen
pijp aangebracht, met de opening in een put in de dubbele bodem, in het
verlengde van de eerder genoemde goten. De pijpen hebben een diameter
van 35 cm en zijn aangesloten op de vacuümketels.
Door het vacuüm in een ketel wordt de vis in een ketel gezogen.
Wanneer de ketel vol is wordt overgeschakeld op de andere ketel, terwijl
de volle ketel dan onder druk wordt gezet en de vis naar de wal wordt
'geblazen'.
Op de wal wordt de 'shore separator' opgesteld, zo hoog dat het
afgescheiden water teruggevoerd kan worden naar de RSW-tanks en de vis
in onder de installatie geplaatste 'buns' wordt gelost. Deze buns kunnen
zodra zij vol zijn direct door de afnemers worden afgevoerd.
Het gehele proces (beurtelings vacuüm zuigen en vullen resp.
onderdruk zetten en legen van de vacuümtanks) is computergestuurd en
werkt bijzonder snel: in een uur tijds is het hele schip gelost. |