| Scheepswerf Koninklijke Niestern Sander is 100 jaar |
|
Het afgelopen jaar 2001 was een vreugdevol jaar voor de
scheepsbouwers van Niestern Sander in Delfzijl. Niet alleen
bestond het bedrijf 100 jaar, maar bovendien verleende H.M. de
Koninging ter gelegenheid daarvan aan het bedrijf het recht het
predikaat "Koninklijke" te voeren. Reden genoeg voor
een terugblik op die 100 jaar. (update Mei 2002) Het afgelopen jaar 2001 was een vreugdevol jaar voor de scheepsbouwers van Niestern Sander in Delfzijl. Niet alleen bestond het bedrijf 100 jaar, maar bovendien verleende H.M. de Koninging ter gelegenheid daarvan aan het bedrijf het recht het predikaat "Koninklijke" te voeren. Reden genoeg voor een terugblik op die 100 jaar. De geschiedenis van Koninklijke Niestern Sander is niet het verhaal van één bedrijf, maar van drie bedrijven. Het is een verhaal van talrijke verhuizingen, van fusies, maar ook een verhaal van mensen en schepen.Het begon in het voorjaar van 1901, toen de 46-jarige Berend Niestern, zijn vrouw Johanna en hun acht kinderen van Hoogezand verhuisden naar Delfzijl. Berend Niestern, die met wisselend succes al eerder in de scheepsbouw actief was geweest, huurde in Farmsum een al jaren stilliggend werfje en startte zijn bedrijf onder de naam Scheepswerf Niestern & Zoon "De Concurrent". Het eerste nieuwbouwschip was de bijna 30 meter lange tweemastschoener Vriendschap. Er volgden meer opdrachten, waaronder enkele verlengingen, zodat de werf al snel te klein bleek. Aan de Binnenhaven in Delfzijl werd een nieuwe locatie gevonden, die in 1904 werd betrokken. In het volgende jaar werd Berend Niestern door een beroerte getroffen en moest hij de leiding van de werf overdragen aan zijn zoons. Zij zetten het bedrijf voort als Scheepswerf Gebr. Niestern. Ook toen al werden zij geconfronteerd met schaalvergroting en met het probleem van doorvaartbeperkingen. In hun geval was de brug die gepasseerd moest worden om het Damsterdiep te bereiken, de bottleneck. Soms werden schepen zelf s op hun kant door de brug gevoerd. Dat ging een keer mis, waardoor het schip dagenlang in de brugopening vastzat en de straatweg van Groningen naar Delfzijl blokkeerde. Opnieuw was een verhuizing noodzakelijk. In 1912 werd een locatie aan de zuidzijde van het Eemskanaal betrokken. De naam werd N.V. Scheepsbouw-Maatschappij "Farmsum" v/'h. Gebr. Niestern. De leiding hadden de broers Geert, Jan en Berend Niestern en Egbert Wagenborg. Maar al gauw was ook deze werf te klein voor de steeds groter wordende schepen en in 1916 werd de nieuwbouw verplaatst naar een nieuwe locatie aan de noordzijde van het Eemskanaal, schuin tegenover de werf aan de zuidzijde. Deze werf bleef tot 1987 in gebruik. In 1918 overleed Geert Niestern en het bedrijf was nu eigendom van Jan, Kees en Berend. Broer Gijsbert begon met zijn schoonvader een machinefabriek, die later door de werf werd overgenomen. Aan het begin van de 20e eeuw ligt ook het begin van Scheepswerf Apol. Arend Apol runde een houthandel, waarvoor hij pramen gebruikte, die hij in de tijd van de bieten- en aardappeloogsten verhuurde, een lucratieve business. Het aantal pramen breidde zich gestaag uit en voor het onderhoud daarvan richtte Apol een eigen werfje in te Wirdum. Dd werfje ging een eigen leven leiden: er werden, naast schepen voor eigen rekening, verscheidene motorschepen en sleepboten voor de binnenvaart gebouwd. Het vakmanschap hiervoor werd in hoge mate geleverd door Gradus Sander en Arie Oosten. Beide vertrokken in 1926. Gradus Sander en zijn broer Jacob, tot dan als scheepstimmerman werkzaam bij Niestern, begonnen in dat jaar een werf aan het Damsterdiep. Er werden vooral kustvaarders op de werf gebouwd, waarvan de naam in 1928 werd gewijzigd in N.V. Scheepswerf "Delfzijl" v/h Gebr. Sander. Ook bij deze werf werden de schepen groter en deed zich een probleem met bruggen voor. In 1937 verhuisde het bedrijf naar het Afwateringskanaal in Farmsum, niet ver van de plek waar de eerste werf van Niestern had gelegen. Scheepswerf Apol begon pas na de Tweede Wereldoorlog een rol van betekenis te spelen. Arend Apol was in 1942 terug getreden en had de leiding aan zijn zoon Johannes overgedragen. Die had echter meer belangstelling voor handelsactiviteiten en deed zijn aandelen in 1948 over aan Arie Oosten. Deze was destijds met Gradus Sander meegegaan naar de nieuwe werf Sander, maar keerde kort na de oorlog terug naar Apol. Ook zijn zoons Geert en Jan kwamen bij het bedrijf.
Het eerste werk van het drietal bestond uit het lichten en repareren van binnenschepen die door de Duitsers in de kanalen tot zinken waren gebracht. Daarna werd de eerste kustvaarder gebouwd, de Unie-E, opgeleverd in 1948 en gevolgd door vele andere. Ook de werf in Wirdum werd geplaagd door breedtebeperkingen en in 1955 verhuisde het bedrijf naar Appingedam; het kreeg de naam Scheepswerf Appingedam v/b A. Apol C.V. Daar werd door directeur Arie Oosten de sectiebouw geïntroduceerd. In 1958 ging Arie Oosten met pensioen. Na een korte interim periode werd Johannes Verbeek directeur, maar al in 1961 vertrok hij naar Sander, waar hij ook weer directeur werd. Zijn opvolger was Gerard Westra, die veel vernieuwingen op de werf doorvoerde, o.a. een 40 t portaalkraan, overdekte en verwarmde werkruimten en een mobiele lasloods op het buitenterrein. In 1966 ging de Roerborg te water, het eerste schip dat in het Noorden geheel volgens computergegevens was ontworpen en gebouwd. In Appingedam kreeg de werf opnieuw met breedtebeperkingen te maken. Eind zestiger jaren zocht men samenwerking met Niestern en in 1973 resulteerde dit in het samengaan van beide bedrijven, onder de naam Appingedam Niestern Delfzijl B.V. De gebroeders Sander hadden na de oorlog hun activiteiten uitgebreid en openden in 1951 een geheel nieuw opgezette werf aan de zuidzijde van het Eemskanaal: Scheepsbouw- en reparatiebedrijf Sander. De werf was modern en ruim van opzet: vijftig jaar later is hij als 'de binnendijkse werf van Koninklijke Niestern Sander nog steeds in gebruik! De nieuwbouw bleef aanvankelijk op de werf aan het Afwateringskanaal plaats vinden, maar verhuisde enkele jaren later naar de nieuwe locatie. De kustvaarder Stortemelk werd in 1956 het eerste schip dat daar is gebouwd.
1956 is ook het jaar dat
oprichter en directeur Jacob Sander bij een noodlottig
bedrijfsongeval om het leven kwam. Gradus bleef algemeen
directeur, zijn zoon Ton en zijn neef Ton, zoon van Jacob,
stonden hem terzijde. Eind zeventiger jaren werd door Sander
voor verschillende projecten samengewerkt met Scheepswerf
Appingedam Niestern Delfzijl. In november 1980 fuseerden de
beide bedrijven tot Niestern Sander.
In de eerste jaren na de fusie bouwde Niestern Sander diverse schepen, waaronder de sleper Smit Singapore, maar midden tachtiger jaren bracht de bouw van het containerschip Wappen von Barssel het bedrijf in grote financiële problemen. Pas in 1991 werd weer een nieuwbouwschip opgeleverd: het eerste van een lange reeks voor Wijnne & Barends. In de tussenliggende jaren werd vooral reparatiewerk gedaan. Daarvoor werd in 1988 een drijvend dok aangekocht, dat in de haven van Delfzijl werd gelokaliseerd. Enkele jaren later volgde een tweede dok. Hiermee werd tevens de mogelijkheid geschapen om nieuwbouwschepen met een breedte van meer dan 16 meter te bouwen: sectiefabricage op de binnendijkse werf, assemblage in een van de dokken. Bijzondere schepen Nadat in 1922 de eerste reddingboot voor de NZHRM was gebouwd, de Hilda, bouwde Niestern in 1927 de lnsulinde, de eerste zelf richtende reddingboot ter wereld. Het idee kwam van de befaamde reddingbootschipper Mees Toxopeus, een goede relatie van Jan Niestern. De laatste vertaalde het idee van Toxopeus in scheepsbouwkundige termen en maakte een ontwerp, waarover ook de reddingmaatschappij enthousiast was. Het succes is bekend. Drie jaar later volgde de Neeltje Jacoba en in de zestiger jaren werden de Bernhard van Leer, Gebr. Luden, Johanna Louisa en Suzanna door Niestern voor de Reddingmaatschappij gebouwd. Een andere innovatie uit de koker van Jan Niestern was de verlaagde dubbele bodem. Volgens de geldende voorschriften moest een dubbele bodem een hoogte van 70 tot 80 cm hebben in verband met de toegankelijkheid voor inspecties. Dit resulteerde in een voor kustvaarders hoog zwaartepunt van de lading en dientengevolge in stabiliteitsproblemen. Jan Niestern loste het probleem op door de dubbele bodem te verlagen en tegelijkertijd de toegankelijkheid te behouden door het toepassen van een voldoende aantal geboute platen in de tanktop. Het eerste schip met zo'n verlaagde dubbele bodem was de 370 tdw metende Coen, bouwnummer 199, die in 1935 gereed kwam.
Op deze vinding werd octrooi verleend en het Niestern patent werd daarna veelvuldig toegepast, ook door andere werven. De Coen had nog een andere noviteit: het was het eerste schip dat door de werf met een plaatsteven werd gebouwd. Een bijzonder schip was het missieschip M.F. Thérèse, in 1937 door Niestern gebouwd voor de missie onder de Eskimo's rond de Hudsonbaai in Canada. Tot de bijzondere schepen mogen zeker ook enkele krachtige sleepboten worden gerekend. In 1939 voltooide Niestern voor het Portugese gouvernement de 1500 PK sterke Chaimite. Bijna veertig jaar later was de Husky van 12.000 PK weer zo'n buitenbeentje, in 1982 gevolgd door twee zusterschepen, de Retriever en de President Hubert. Twee jaar later werden deze overtroffen door de 13.800 pk sterke Smit Singapore. Een veel kleinere sleepboot (650 PK), door Sander in opdracht van de Duitsers gebouwd en na de oorlog door de Koninklijke Marine in dienst gesteld als Hr.Ms. Margriet, verwierf faam. Samen met het zusterschip Hr.Ms. Beatrix sleepte zij de drijvende bok Valk naar Curacao. Daar werd de bok in het drijvende Julianadok geplaatst, waarna het geheel door de beide boten en de iets grotere Soegio door het Panamakanaal en over de Stille Oceaan naar Soerabaya werd gesleept. De spectaculaire reis duurde in totaal 168 dagen en ging over een afstand van 16.691 zeemijlen. Ook in latere jaren onderscheidde Niestern Sander zich met bijzondere schepen. Zo werden in de negentiger jaren 14 schepen van het High Cubic type gebouwd voor Wijnne & Barends, waarbij de gehele lading hout en andere bosbouwproducten onderdeks worden gestuwd. In het jubileumjaar werd de eerste van een volgende serie van vier opgeleverd, de Nora. Verder kan Niestern Sander bogen op de bouw van het grootste schip dat ooit in de provincie Groningen is gebouwd. Eerst was dat de Franse tanker Chassiron, 9995 tdw, opgeleverd begin 2000, maar deze is inmiddels van de eerste plaats verdrongen door de 12.680 tdw metende Belisaire, die eind oktober 2001 aan dezelfde Franse opdrachtgever is overgedragen. Koninklijke Niestern Sander in 2001 De orderportefeuille omvat momenteel drie zusterschepen van de Nora, met een optie voor nog vier schepen, en een volgende tanker voor de Franse rederij Petromarine, de Adoure, die alweer groter wordt: het draagvermogen zal ongeveer 14.800 ton bedragen. De gegevens voor dit artikel zijn ontleend aan het
jubileumboek: Formaat A4; 208 pagina's; ruim drie 300 illustraties, meest
foto's in vierkleurendruk; genaaid gebonden in linnen band. |
Related news items
- Big Business in small ships -24/10/2007
- Exporting Europe's Experience -07/10/2006
- Royal Niestern Sander -05/11/2005
- Dutch yards seek external partnerships -07/07/2005
- Conoship developing new shipbuilding concepts -07/07/2005
- Lloyds List; Tuesday June 22: Wagenborg orders 'maid of all works' -07/07/2005
- Dupuy de Lôme, building number 816, launched -07/07/2005
Next news item
- Bodewes scheepswerven voor de wind ondanks recessie -07/07/2005
- Scheepswerf Bijlsma bouwt eerste gastanker (Mei 2002) -07/07/2005




